Lancering van de Co-Lab Mapping visualisatie-tool

Op 7 oktober vond bij de faculteit Bouwkunde van de TU Delft de lancering plaats van het project “Co-Lab Mapping: a visualisation tool for collaborative housing in Europe”. In dit hybride webinar presenteerden Darinka Czischke en Sara Brysch de resultaten van het Co-Lab Mapping-project en lanceerden ze officieel de visualisatietool. Carla Huisman, Alice Pittini en Michael LaFond namen als experts deel aan de paneldiscussie en bespraken de reikwijdte van collaboratieve woonvormen en de relevantie van deze eerste poging om kwantitatieve gegevens te verzamelen over collaboratieve huisvesting in Europa.

Bestaand onderzoek naar collaboratieve woonvormen is tot nu toe voornamelijk gebaseerd op kwalitatieve casestudies. Overkoepelende organisaties verzamelen gegevens over sommige vormen van collaboratieve woonvormen op regionaal en landelijk niveau; gegevens zijn echter verspreid en er is een gebrek aan standaard definities. Dit verhindert een vergelijkend begrip van de uitdagingen en kansen die deze woonvormen bieden. Bovendien zijn vergelijkende gegevens nodig om kennisdeling tussen bewoners in verschillende landen en regio’s te simplificeren. Om dit probleem aan te pakken, was het Co-Lab Mapping-project gericht op het ontwikkelen van een categorisering van collaboratieve woonvormen en een ‘mapping tool’, toegankelijk als een visueel aantrekkelijk online platform.

Na een korte presentatie van het project en een ‘rondleiding’ door het online platform, spitste de discussie zich toe op de definitie van de overkoepelende term collaboratieve woonvormen en het nut van een dergelijke tool in huisvesting studies. Carla Huisman (TU Delft) benadrukte de noodzaak om data te meten die nog steeds als ‘marginaal’ worden beschouwd – ze blijven marginaal omdat ze niet worden gemeten. Ze benadrukte ook de voordelen van het opnemen van collaboratieve woonvormen in nationale enquêtes. Michael LaFond (id22: Institute for Creative Sustainability, Berlijn) benadrukte het onderscheid tussen zelf-georganiseerde en professioneel georganiseerde collaboratieve huisvesting, en beweerde dat speculatieve top-down modellen, zoals commercieel co-living, een specifieke ruimte zouden moeten hebben binnen het concept van collaboratieve woonvormen. Hij wees ook op de noodzaak om de vraag naar collaboratieve woonvormen te kwantificeren, aangezien hij gelooft dat deze veel hoger is dan het huidige aanbod. Nadat Alice Pittini (Housing Europe Observatory) commentaar had gegeven op de waarde van dit instrument om beter geïnformeerde beleidsbeslissingen te onderbouwen, verwees ze naar de toenemende belangstelling voor samenwerkingsmodellen binnen de gevestigde sociale huisvestingssector. Vragen uit het publiek legden de nadruk op de toegankelijkheid van de onbewerkte gegevens, de mogelijkheid om nationale enquêtes uit te voeren om de drijvende krachten achter collaboratieve woonvormen beter te begrijpen, en het risico dat sommige ontwikkelaars het concept van cohousing bij speculatieve ontwikkelingen misbruiken.

Concluderend benadrukte Darinka Czischke dat dit instrument een startpunt is van een langetermijn inspanning om kwantitatieve gegevens en verschillende opvattingen over collaboratieve woonvormen in Europa te verzamelen en te begrijpen. Discussies hierover zullen doorgaan als iteraties van co-creatie, en de beschikbare gegevens zullen hopelijk blijven groeien naarmate meer overkoepelende organisaties zich bij het project aansluiten.

v.l.n.r.: Michael LaFond (id22), Darinka Czischke (projectleider Project Together!, TU Delft), Sara Brysch (TU Delft), Vincent Gruis (TU Delft), Geert de Pauw (CLT Brussels)
v.l.n.r.: Michael LaFond (id22), Darinka Czischke (projectleider Project Together!, TU Delft), Sara Brysch (TU Delft), Vincent Gruis (TU Delft), Geert de Pauw (CLT Brussels)